Het Grondwettelijk Hof spreekt zich (eindelijk!) uit over de opzeggingsbedingen voor hogere bedienden

02 nov 2018Ontslag

Met een arrest van 18 oktober 2018 stelt het Grondwettelijk Hof een einde aan de controverse over de vraag of de opzeggingsbedingen van hogere bedienden die voor 1 januari 2014 werden afgesloten, moeten toegepast worden voor de berekening van de opzeggingstermijn. 

 

Volgens het Hof is dit inderdaad het geval.

 

Achtergrond

 

Voor arbeidsovereenkomsten aangevat voor 1 januari 2014 voorziet de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden (hierna “de WES”) dat de opzeggingstermijn wordt berekend in twee stappen:

 

  • Stap 1 heeft betrekking op de verworven anciënniteit tot 31 december 2013. 

 

Voor de “hogere” bedienden is de opzeggingstermijn vastgelegd op 1 maand per begonnen jaar anciënniteit, met een minimum van 3 maanden. 

 

De werknemers met een jaarlijks brutoloon hoger dan 32.254EUR (bedrag op 31 december 2013), werden beschouwd als “hogere” bedienden.

 

  • Stap 2 heeft betrekking op de anciënniteit sinds 1 januari 2014.

 

Voor deze periode gelden uniforme opzeggingstermijnen.

 

Voor de inwerkingtreding van de WES voorzag de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten evenwel de mogelijkheid voor de “hogere” bedienden om, onder bepaalde voorwaarden, in hun arbeidsovereenkomst reeds de duur van de opzeggingstermijn contractueel vast te leggen.

 

De vraag stelde zich of na de inwerkingtreding van de WES deze akkoorden al dan niet dienden toegepast te worden voor de berekening van stap 1.

 

Het arrest van het Grondwettelijk Hof 

 

Het Grondwettelijk Hof stelt nu een einde aan de controverse rond de interpretatie van de WES. Voor de berekening van stap 1 van de opzeggingstermijn van hogere bedienden dienen de voor 1 januari 2014 afgesloten opzeggingsbedingen in rekening te worden genomen. 

 

Volledigheidshalve merken wij op dat het sinds 1 januari 2014 ook mogelijk is om een opzeggingsbeding op te nemen in de individuele arbeidsovereenkomst voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de rechten van de werknemer. Het is dus niet mogelijk om in een dergelijk beding een termijn te voorzien die lager is dan de wettelijke termijnen. 

 

Te onthouden? 

 

Indien er voor de inwerkingtreding van de WES geldig een opzeggingsbeding afgesloten werd met een “hogere” bediende, dient hiermee rekening gehouden te worden voor de berekening van de opzeggingstermijn.

 

Bron: GwH 18 oktober 2018, nr. 140/2018 (www.const-court.be)