Ontslagmotivering : wat moet een werkgever (niet) bewijzen ?

28 nov 2018Ontslag

Wanneer een ontslag geen verband houdt met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer, noch met de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, dan is er sprake van een kennelijk onredelijk ontslag. Op 15 oktober 2018 heeft het Hof van Cassatie in twee arresten een precisering in dit kader aangebracht. 

Zo oordeelde het Hof dat een werknemer omwille van zijn gedrag ontslagen kan worden, ook al kan de werkgever geen fout in hoofde van de werknemer aantonen. 

Daarentegen volstaat het voor een ontslag omwille van de noodwendigheden van de onderneming niet om enkel de slechte economische toestand van de onderneming te bewijzen. De werkgever moet ook het verband aantonen tussen de slechte cijfers en de beslissing om een bepaalde werknemer te ontslaan. 

 

1. Willekeurig ontslag versus kennelijk onredelijk ontslag

 

Volledigheidshalve merken we op dat de twee besproken cassatiearresten betrekking hebben op artikel 63 van Arbeidsovereenkomstenwet, hetgeen de regels inzake willekeurig ontslag van arbeiders regelt.

 

Sinds de inwerkingtreding van CAO nr. 109 van 12 februari 2014 betreffende de motivering van het ontslag is deze bepaling niet langer van toepassing op de privé-sector.

 

De rechtspraak betreffende artikel 63 van Arbeidsovereenkomstenwet behoudt evenwel zijn waarde voor de beoordeling van de ontslagmotivering in het kader van CAO nr. 109, aangezien beide teksten in essentie hetzelfde bepalen:

 

  • een werknemer kan slechts omwille van drie redenen ontslagen worden, en ;
  • de werkgever dient het bewijs te leveren van de ingeroepen ontslagreden.

 

Wij herinneren er evenwel aan dat CAO nr. 109 een bijkomende voorwaarde toevoegt aan het vroegere artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet, aangezien een ontslag maar kennelijk onredelijk is indien daartoe «nooit zou zijn beslist door een normale en redelijke werkgever ». 

 

2. De twee arresten van het Hof van Cassatie

 

In het eerste arrest vernietigt het Hof van Cassatie een arrest van het arbeidshof van Brussel. In deze zaak werd een werknemer ontslagen omwille van communicatieproblemen tussen hem en zijn collega's. Volgens het arbeidshof was dit ontslag "kennelijk onredelijk", aangezien de werkgever niet bewees dat het gedrag van de werknemer foutief was.

 

Volgens het Hof van Cassatie had het arbeidshof een bijkomende voorwaarde toegevoegd aan artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet, door te oordelen dat een specifieke fout in hoofde van de werknemer aangetoond moet worden. Indien het bewezen wordt dat het ontslag van een werknemer verband houdt met diens gedrag, dan is het niet noodzakelijk dat de werkgever een specifieke fout in hoofde van de werknemer kan aantonen. 

 

In het tweede arrest, uitgesproken op dezelfde dag, bevestigt het Hof van Cassatie een arrest van het arbeidshof van Bergen. In deze zaak werd een werknemer ontslagen omwille van de slechte economische situatie binnen de onderneming. Volgens het arbeidshof toonde de werkgever wel degelijk aan dat er organisatorische of economische redenen waren om personeel te ontslaan, maar slaagde de werkgever er niet in om het verband tussen die redenen en het ontslag van een bepaalde werknemer te bewijzen. 

 

Door te oordelen dat er een verband moet worden aangetoond tussen de slechte omzetcijfers en de ontslagbeslissing, treedt het arbeidshof niet in de plaats van de werkgever en maakt de rechter geen opportuniteitsbeoordeling, aldus het Hof van Cassatie. Het arbeidshof heeft bijgevolg correct geoordeeld.

 

3. Te onthouden uit deze arresten?

 

In deze twee arresten verduidelijkt het Hof van Cassatie wat een werkgever nu precies moet bewijzen indien hij een werknemer ontslaat omwille van diens gedrag of omwille van economische redenen:

 

  • Ontslag omwille van het gedrag van de werknemer: Het is niet vereist om een specifieke fout in hoofde van de werknemer aan te tonen. Het volstaat om te bewijzen dat het ontslag het gevolg is van het gedrag van de werknemer (bv: communicatieproblemen). Een ontslag in het kader van CAO nr. 109 zal daarenboven enkel kennelijk onredelijk zijn, indien daartoe «nooit zou zijn beslist door een normale en redelijke werkgever ». 

 

  • Ontslag omwille van de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming: De Werkgever moet niet alleen de operationele behoeften van de onderneming aantonen, maar óók het verband tussen deze behoeften en het ontslag van de werknemer. Wanneer een rechter oordeelt dat dit verband niet bewezen is, dan spreekt de rechter zich niet uit over de opportuniteit van de ontslagbeslissing. 

 

Bronnen:      Cass. 15 oktober 2018, A.R. Nr. S. 18.0015.F, www.juridat.be

                      Cass. 15 oktober 2018, A.R. Nr. S.18.0010.F, www.juridat.be