Verenigingswerk, een nieuw sociaal en fiscaal voordelig systeem

12 aug 2018Reglementering

Een werknemer, die minstens 4/5de wordt tewerkgesteld, mag in het kader van vereningswerk diensten verrichten in het belang van anderen of van de samenleving. De in dit kader ontvangen vergoedingen genieten een voordelige behandeling, indien de voorwaarden van de nieuwe wet van 18 juli 2018 nageleefd worden.

 

Tegenwoordig worden steeds meer voorwaarden opgelegd voor het uitoefenen van verenigingswerk, waardoor dit type van activiteiten een "semi-professioneel" karakter krijgt. 

 

De bestaande wetgeving inzake vrijwilligerswerk bood geen geschikt kader voor dit type werk, hetgeen de rechtszekerheid niet ten goede kwam. 

 

Bij wet van 18 juli 2018 heeft de wetgever dit willen verhelpen door een nieuw statuut te creëren: het statuut van de verenigingswerker.

 

Onder "verenigingswerk" moet worden verstaan non-profit activiteiten (limitatief opgesomd bij wet), die worden uitgevoerd ten behoeve van anderen of van de samenleving als geheel en die worden georganiseerd door een vereniging of organisatie.

 

Onder "verenigingswerker" moet worden verstaan een persoon die een activiteit uitoefent, voor rekening van een werkgever (verschillend  van de vereniging of organisatie) of voor eigen rekening, in het derde kwartaal vóór het begin van de werkzaamheden als verenigingswerker. Het moet gaan om:

 

  • een werknemer die ten minste 4/5de is tewerkgesteld, of;
  • een ambtenaar die ten minste 4/5de is tewerkgesteld (evenals een leraar met een aanstelling van ten minste een 8/10de van een voltijds uurrooster), of;
  • een zelfstandige in hoofdberoep (of in bijberoep, op voorwaarde dat er op basis van deze activiteiten sociale zekerheidsbijdragen betaald worden), of; 
  • een gepensioneerde of een persoon die prestaties heeft geleverd in het kader van een  vrijwillige burgerdienst voor jongeren.

 

Om in aanmerking te komen voor een volledige vrijstelling op het vlak van sociale zekerheidsbijdragen en belastingen, mogen de vergoedingen in het kader van verenigingswerk niet meer bedragen dan 500 EUR per maand en 6.000 EUR per jaar. Deze plafonds omvatten ook prestaties van occassioneel vervoer tussen burgers of via platforms.

 

Een schriftelijke overeenkomst moet ten laatste aan het begin van het verenigingswerk afgesloten worden. 

 

De vereniging of organisatie is ook verplicht om het begin en het einde van de prestaties, alsook het bedrag van de vergoeding, via een elektronisch systeem aan te geven. Indien dit niet gedaan wordt, dan zou de overeenkomst inzake verenigingswerk geherkwalificeerd kunnen worden als een arbeidsovereenkomst, met (retroactieve) toepassing van de regels die op een dergelijke overeenkomst van toepassing zijn, met inbegrip van de betaling van sociale zekerheidsbijdragen.

 

Ten slotte is de vereniging of organisatie verplicht een verzekering "burgerlijke aansprakelijkheid" af te sluiten ter dekking van eventuele door de verenigingswerker veroorzaakte schade, alsook een arbeidsongevallenverzekering.

 

Te onthouden?

 

Een werknemer die minstens 4/5de wordt tewerkgesteld, kan aanspraak maken op het nieuwe statuut van "vereningswerker" in het kader van activiteiten die via een vereniging of organisatie ten behoeve van anderen of de samenleving worden uitgevoerd. 

 

Deze werknemer kan maximaal 500 EUR per maand en 6.000 EUR per jaar ontvangen, zonder dat hierop sociale zekerheidsbijdragen of belastingen verschuldigd zijn.

 

De nieuwe wet maakt het dus mogelijk om een vrijwillige samenwerking aan te gaan om beperkte activiteiten uit te voeren tegen lagere kosten, zonder dat de contractuele relatie als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd wordt.

 

Bron: Wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie, B.S., 18 juli 2018, pp. 59203-59220.