Een gemeente heeft slechts vijf jaar om een onverschuldigde betaling van een ambtenaar terug te vorderen

28 juni 2018Publieke sector

Hoewel gemeenten volgens het Burgerlijk Wetboek een verjaringstermijn van 10 jaar hebben om een onverschuldigde betaling terug te vorderen, beschouwt het Grondwettelijk Hof dit als een discriminatie. Volgens het Hof moeten de rechtbanken een verjaringstermijn van vijf jaar toepassen. 

 

Er is geen specifieke verjaringstermijn voorzien wanneer een gemeente of een politiezone, per vergissing betaalde wedden, vergoedingen, uitkeringen of bijkomende of soortgelijke voordelen van een ambtenaar wenst terug te vorderen.

 

In beginsel is dan ook de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar van toepassing.

 

De situatie is verschillend voor de Federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen, die slechts vijf jaar de tijd hebben om de onverschuldigd betaalde bedragen van hun ambtenaren terug te vorderen.

 

Het Grondwettelijk Hof had dit verschil in behandeling reeds als discriminerend bestempeld in een arrest van 18 mei 2011 (GwH 18 mei 2011, arrest nr. 76/2011).

 

Deze discriminatie vloeit evenwel niet voort uit een specifieke bepaling die een rechter zou kunnen uitsluiten of anders interpreteren, maar uit het ontbreken van een specifieke wettelijke bepaling met een specifieke verjaringstermijn voor gemeenten en politiezones die onverschuldigde betalingen van hun ambtenaren terugvorderen. De wetgever had dus moeten ingrijpen om de verjaringsmodaliteiten voor gemeenten of politiezones te bepalen. 

 

Aangezien de wetgever nagelaten heeft om dit te doen, waren de hoven en rechtbanken van oordeel dat zij geen andere keuze hadden dan de verjaringstermijn van tien jaar te blijven toepassen, zonder dat deze wettelijke lacune aan de gemeente of de politiezone verweten kon worden (Cass. 23 mei 2016, AR C.14.0570.F).

 

De rechtspraak achtte artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek (dat de verjaringstermijn voor betalingen per jaar of met kortere termijnen beperkt tot vijf jaar) niet van toepassing op terugvorderingen van onverschuldigde betalingen, zelfs indien het periodiek onverschuldigde betalingen betrof.

 

In het arrest van 14 december 2017 oordeelde het Grondwettelijk Hof opnieuw dat de toepassing van de verjaringstermijn van tien jaar op de terugvordering van achterstallige wedden of toelagen onevenredig was.

 

Het Hof voegde daar echter aan toe dat het aan de rechter is om, in afwachting van een dergelijke wetgevende tussenkomst, een einde te maken aan de gevolgen van de discriminatie. Volgens het Hof "staat het aan de rechtscolleges waarbij de vordering is ingesteld tot terugbetaling van wedde en toelagen daarop die een gemeente ten onrechte heeft betaald, toe om die te onderwerpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar."

 

Te onthouden?

 

Wettelijk gezien bedraagt de verjaringstermijn nog steeds tien jaar voor de gemeenten die onverschuldigd betaalde vergoedingen wensen terug te vorderen van ambtenaren.

 

Het is evenwel zeer waarschijnlijk dat de ambtenaar zich, in afwachting van een wetgevend initiatief, zal beroepen op de door het Hof bevestigde ongrondwettigheid van deze bepaling en de rechter aldus zal verzoeken om de verjaringstermijn te beperken tot vijf jaar.

 

Daarom hebben de gemeenten en de politiezones er belang bij om binnen de vijf jaar na de onverschuldigde betaling een vordering in te stellen tot de terugbetaling ervan.

 

Bron: Grondwettelijk Hof 14 december 2017, arrest nr. 143/2017, J.T. 2018, p. 459; beschikbaar op de website van het Hof.