Een werknemer kan verzaken aan de schorsing van de opzeggingstermijn, maar niet om het even wanneer

28 jan 2018Ontslag

Het Hof van Cassatie beslist dat de werknemer niet om het even wanneer kan verzaken aan de bescherming van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.  Een verzaking aan het recht op een verlenging van de opzeg voor periodes van schorsing van de opzeg nog voordat er zich een schorsing heeft voorgedaan is niet geldig.  Een afstand van dat recht nadat de schorsing zich heeft voorgedaan of op het einde van de initiële opzeggingstermijn, is wel geldig.

1. Feiten

Een werknemer presteert een opzegtermijn van 60 maanden.

Nadat de werkgever de opzeg had gegeven werd een dadingsovereenkomst gesloten waarin de werknemer afziet van het recht dat de opzegtermijn geschorst wordt tijdens periodes van bijvoorbeeld ziekte en vakantie.

De werknemer wordt tijdens de opzegtermijn getroffen door een ernstige ziekte, waardoor hij herhaaldelijk voor lange periodes afwezig is. De arbeidsovereenkomst neemt een einde na afloop van de oorspronkelijke opzegtermijn, zonder dat rekening gehouden wordt met de schorsingsperiodes.

De werknemer betwist de geldigheid van de overeenkomst en vordert voor de Arbeidsrechtbank een aanvullende opzeggingsvergoeding, overeenstemmend met het loon voor de duur van de schorsingsperiodes.

De Arbeidsrechtbank veroordeelt de werkgever tot de betaling van deze aanvullende opzeggingsvergoeding, maar deze beslissing wordt hervormd door het Arbeidshof van Luik.

Het Arbeidshof oordeelt immers dat de partijen na de betekening van een opzegtermijn geldig kunnen verzaken aan hun rechten, omdat op dat moment elke mogelijke druk van de werkgever verdwijnt.

De werknemer stelt een voorziening in Cassatie in tegen het arrest van het Arbeidshof te luik.

2. De beslissing van het Hof van Cassatie

Het Hof verwijst in de eerste plaats naar artikel 38, §2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, waarin bepaald wordt dat de opzegtermijn niet loopt tijdens de schorsing van de arbeidsovereenkomst.

Het Hof benadrukt hierbij dat :

  • artikel 38, §2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten een dwingende wetsbepaling is die in het voordeel van de werknemer een bescherming invoert;
  • de werknemer pas afstand kan doen van het recht om de opzeggingstermijn te onderbreken tijdens periodes van schorsing van de arbeidsovereenkomst, nadat er zich effectief een schorsingsoorzaak voordoet en dan nog enkel voor de voorafgaande schorsingsperiodes.

Het Hof van Cassatie besluit dat het Arbeidshof dit artikel geschonden heeft door te oordelen dat de werknemer geldig kon verzaken aan de schorsing van de opzeggingstermijn voordat de schorsingsoorzaak zich effectief had voorgedaan.

3. Te onthouden?

Een werknemer kan niet geldig verzaken aan de « toekomstige » schorsing van zijn arbeidsovereenkomst tijdens de opzegtermijn. Van dat recht kan enkel afstand gedaan worden nadat de schorsing zich heeft voorgedaan of na afloop van de initiële opzeggingstermijn.

De werkgever dient hiermee rekening te houden wanneer er een overeenkomst afgesloten wordt over de modaliteiten van de opzeggingstermijn.

 

Bron : Cass., 30 januari 2017, A.R. nr. S.15.0119.F/1, juridat.be