In de publieke sector moet een contractueel personeelslid voorafgaandelijk gehoord worden in het geval van een ontslag om dringende reden

28 maart 2018Publieke sector

Ambtenaren die omwille van hun gedrag aan een ernstige individuele maatregel onderworpen kunnen worden, hebben het recht om gehoord te worden voordat deze maatregel genomen wordt. 

 

In een eerder arrest van 6 juli 2017 had het Grondwettelijk Hof reeds geoordeeld dat deze voorafgaandelijke hoorplicht ook moest gerespecteerd worden in geval van het ontslag van een contractueel personeelslid.

 

In haar arrest van 22 februari 2018 verduidelijkt het Grondwettelijk Hof dat ook in het kader van een ontslag om dringende reden er een voorafgaandelijke hoorplicht moet gerespecteerd worden.

 

1. Eerdere ontwikkelingen in deze discussie

 

Zoals reeds in een vorige news werd aangehaald, is er veel discussie geweest omtrent de vraag of het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur « audi alteram partem » (met inbegrip van de voorafgaandelijke hoorplicht) ook geldt voor de contractuele personeelsleden in de publieke sector.

 

Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 12 oktober 2015 geoordeeld dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en dus ook het beginsel « audi alteram partem », niet van toepassing zijn op de contractuele personeelseden in de publieke sector.

 

In haar arrest van 6 juli 2017 heeft het Grondwettelijk Hof het debat opnieuw leven ingeblazen door te preciseren dat de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie de publieke werkgever ertoe verplichten om de hoorplicht toch ook toe te passen in geval van een individueel ontslag van een contractueel personeelslid.

 

De arbeidsrechtbank van Henegouwen stelde, in het kader van het ontslag wegens dringende reden van een contractueel personeelslid, aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag of het niet-toepassen de voorafgaandelijke hoorplicht in dit verband een verboden discriminatie uitmaakt.

 

2. Beslissing van het Grondwettelijk Hof

 

Verwijzend naar het eerdere arrest van 6 juli 2017, bevestigt het Grondwettelijk Hof dat contractuele en statutaire personeelsleden die geconfronteerd worden met een beslissing om de arbeidsrelatie te beëindigen, zich in een vergelijkbare situatie bevinden, niettegenstaande hun verschillend juridisch statuut.

 

Een verschillende behandeling van deze twee categorieën is, voor wat betreft de toepassing van de voorafgaandelijke hoorplicht, bijgevolg niet gerechtvaardigd.

 

Het Hof stelt vast dat artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, en met name het bestaan van een driedagentermijn voor het inroepen van een ontslag om dringende reden, niet rechtvaardigt dat de publieke werkgever het contractueel personeelslid niet vooraf hoort.

 

Het Hof verwijst naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie waarin het Hof oordeelde dat de in artikel 35 bedoelde driedagentermijn pas begint te lopen na het verhoor van de werknemer.

 

Bijgevolg concludeert het Hof dat er sprake is van een schending van het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel wanneer artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet zo wordt uitgelegd als zouden de bepalingen van dit artikel zich verzetten tegen het toepassen van de voorafgaandelijke hoorplicht.

 

Het Hof is daarentegen van oordeel dat er geen sprake is van een schending van deze beginselen indien artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet zo geïnterpreteerd wordt dat de bepalingen van dit artikel zich niet verzetten tegen de toepassing van de voorafgaandelijke hoorplicht.

 

Wat te onthouden?

 

Hoewel het Hof van Cassatie geoordeeld heeft dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn in de relatie tussen de publieke werkgever en de contractuele personeelsleden, zal de publieke werkgever verplicht om de voorafgaandelijke hoorplicht te respecteren.

 

De niet-toepassing van dit beginsel leidt volgens het Grondwettelijk Hof tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen contractuele en statutaire personeelsleden. Het contractuele personeelslid kan op grond hiervan een aanvullende schadevergoeding eisen.

 

BRON

 

GwH 22 februari 2018, nr. 22/2018.

 

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met uw advocaat bij Sotra

 

Wij letten erop om u informatie te bezorgen die correct, precies en nauwkeurig is. Echter, onderhavige nieuwsbrief is geen juridisch advies en brengt dus niet onze verantwoordelijkheid met zich. Deze brief is onderworpen aan het auteursrecht en kan niet worden hernomen noch worden verspreid voor commerciële doelstellingen zonder onze toestemming © Sotra, 2018.