Bedrijfswagen inruilen voor alternatieve vervoersmiddelen dankzij het mobiliteitsbudget

16 maart 2019Loon

Een werknemer die zijn bedrijfswagen inruilt voor een mobiliteitsbudget, kan het beschikbare budget spenderen aan een milieuvriendelijke wagen, openbaar vervoer, deeloplossingen, of een combinatie van deze opties. Op het resterende saldo zijn geen belastingen, maar wel een bijzondere sociale zekerheidsbijdrage verschuldigd.

 

1. Wat is de bedoeling van de maatregel?

 

Met het langverwachte mobiliteitsbudget wil de regering niet alleen het gebruik van (milieuvervuilende) bedrijfswagens beperken, maar ook werkgevers en werknemers stimuleren om na te denken over duurzame alternatieven. 

 

Via dit systeem kunnen werknemers die vandaag recht hebben op een bedrijfswagen, morgen kiezen tussen een breed gamma aan vervoersopties, die gemakkelijk met elkaar gecombineerd kunnen worden. Het budget kan doorheen het jaar opgebruikt worden en het eventuele saldo wordt in het begin van het daaropvolgende jaar aan de werknemer uitbetaald. 

 

2. Wie kan er gebruik van maken?

 

Enkel werkgevers die reeds gedurende een periode van minstens 36 maanden aan één of meerdere werknemers een bedrijfswagen ter beschikking stellen, kunnen deze maatregel voorzien.

 

Afwijkende voorwaarden zijn voorzien voor “jonge bedrijven” die nog geen 3 jaar bestaan.

 

Enkel werknemers die in de loop van de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag gedurende ten minste 12 maanden over een bedrijfswagen beschikt hebben of ervoor in aanmerking kwamen gelet op hun functie, waarvan een ononderbroken periode van 3 maanden op het moment van de aanvraag, kunnen in aanmerking komen voor het mobiliteitsbudget.

 

Deze wachttermijnen gelden niet voor nieuwe aanwervingen of in het geval van een bevordering of functiewijziging die plaatsvindt voor 1 maart 2019.

 

3. Hoe verloopt de toekenning van het mobiliteitsbudget in de praktijk?

 

De mogelijkheid om gebruik te maken van een mobiliteitsbudget is gebaseerd op vrijwilligheid. Noch de werkgever, noch de werknemer kunnen verplicht worden om van het systeem gebruik te maken.

 

Concreet verloopt de procedure als volgt:

 

  • Stap 1: de werkgever voert het systeem in. Hij kan daarbij de voorwaarden en criteria vastleggen waaraan de werknemer moet voldoen opdat hij zijn bedrijfswagen zou kunnen inruilen voor het mobiliteitsbudget;
  • Stap 2: de werknemer richt een schriftelijke aanvraag tot de werkgever om gebruik te kunnen maken van de mogelijkheid om zijn bedrijfswagen in te ruilen voor een mobiliteitsbudget;
  • Stap 3: de werkgever weigert of aanvaardt de aanvraag schriftelijk;
  • Stap 4: indien de werkgever de aanvraag aanvaardt, wordt hierover een schriftelijke overeenkomst opgemaakt, die beschouwd wordt als een te bewaren sociaal document. Het initiële bedrag van het mobiliteitsbudget wordt erin vermeld.Op die manier wil de wetgever vermijden dat de werkgever een verdoken loonsverhoging doorvoert via het mobiliteitsbudget.

 

4. Het bedrag van het mobiliteitsbudget

 

Het bedrag van het mobiliteitsbudget komt overeen met de zogenaamde “Total cost of ownership” (TCO) van de bedrijfswagen. Dit heeft onder andere betrekking op: de jaarlijkse bruto kosten voor de werkgever van de bedrijfswagen, de (para)fiscale lasten hierop, de verzekeringen, de brandstofkosten, etc.

 

Wanneer de bedrijfswagen niet wordt geleased, maar wordt aangekocht, dan worden de financieringskosten vervangen door een jaarlijkse afschrijving van 20%.

 

Het beschikbare budget kan als volgt worden besteed:

 

  • Stap 1: indien voor een milieuvriendelijke wagen wordt gekozen, dan wordt de “TCO-kost" van deze nieuwe wagen (en eventueel de kosten voor het beheer van het mobiliteitsbudget) in mindering gebracht van het budget;
  • Stap 2: indien niet voor een alternatieve wagen wordt gekozen of indien er nog een saldo overblijft na stap 1, dan kan er gekozen worden voor één of meerdere duurzame vervoersmiddelen (zie hieronder, punt 5);
  • Stap 3: het deel van het budget dat de werknemer niet opgebruikt heeft, zal hem uiterlijk samen met het loon van de eerste maand van het daaropvolgende jaar uitbetaald worden (zie hieronder, punt 6).

 

5. De beschikbare alternatieven

 

Het mobiliteitsbudget kan gebruikt worden voor een groot aantal alternatieven, die onderverdeeld kunnen worden in 3 categorieën:

 

  • Een milieuvriendelijke wagen, waarvan de CO2- uitstoot minder of gelijk is aan 105 g/km (waarde in 2019, hetgeen progressief verlaagd zal worden in 2020-2021);

 

  • Duurzame alternatieven, zoals onder andere:
    • zachte mobiliteit: de kosten voor de aankoop, huur of leasing, alsook voor onderhoud en de verplichte uitrusting van een fiets of bromfiets;
    • openbaar vervoer: zowel abonnementen als losse vervoersbewijzen binnen de EER komen in aanmerking. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om parkeerkosten in de buurt van een trein-of busstation in rekening te brengen.
    • georganiseerd gemeenschappelijk vervoer en deeloplossingen, zoals carpoolen taxivervoer of de huur van een wagen tot 30 dagen per jaar (een zogenaamde “vakantiewagen”);
    • huisvestingskosten: de huurgelden of interesten van een hypothecaire lening indien de woonplaats van de werknemer gelegen is binnen een straal van 5 km van de normale plaats van tewerkstelling;
    • een fietsvergoeding.

 

  • Een “cash”-betaling, indien er nog een saldo overblijft op het einde van het jaar.

 

6. Het arbeidsrechtelijk, RSZ- en fiscaal statuut van het mobiliteitsbudget

 

In de eerste plaats wordt voorzien dat de toekenning van het mobiliteitsbudget arbeidsrechtelijk een gelijke behandeling heeft als het voordeel van het privégebruik van de wagen. Dit betekent bijvoorbeeld dat het budget meetelt bij de berekening van de opzeggingsvergoeding. Anderzijds wordt het bedrag van het mobiliteitsbudget niet in rekening gebracht om bijvoorbeeld het overloon, het vakantiegeld of de eindejaarspremie te berekenen.

 

De “duurzame alternatieven” worden volledig vrijgesteld van bijdragen en belastingen. Dit is niet alleen financieel interessant voor de werknemer, ook de werkgever zal in dit kader geen inschatting meer moeten maken van het privévoordeel van de door haar ter beschikking gestelde vervoersmiddelen. 

 

Het niet-opgebruikte budget dat wordt uitbetaald aan de werknemer, wordt vrijgesteld van gewone sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing, maar wordt wel onderworpen aan een bijzondere bijdrage van 38,07% ten laste van de werknemer. 

 

7. Bijkomende opmerkingen

 

Het mobiliteitsbudget kan niet gecumuleerd worden met de fiscale vrijstellingen van woon-werkvergoedingen. Er geldt hierop evenwel een uitzondering voor de werknemers die samen met hun bedrijfswagen reeds gedurende 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag genoten van een fiscaal vrijgestelde verplaatsingsvergoeding voor woon-werkverkeer (410 EUR per jaar – bedrag van toepassing in 2019).

 

Tot slot kan nog gewezen worden op de volgende bijzonderheden:

 

  • een werknemer die zijn bedrijfswagen destijds bekomen heeft door een deel van zijn loon of voordelen in te leveren, komt niet in aanmerking voor het systeem. Wanneer uit een individuele overeenkomst blijkt dat een werknemer destijds loon of voordelen heeft gekregen ter vervanging van het recht op een bedrijfswagen waarvan hij geen gebruik wenste te maken, dan kan het mobiliteitsbudget wel worden toegekend ter vervanging van dat loon of andere voordelen. 
  • de toekenning van het mobiliteitsbudget houdt geen verbod in om woon-werk verplaatsingen met de eigen wagen af te leggen;
  • de toekenning van een mobiliteitsbudget is niet definitief, zodat een werknemer mits het akkoord van de werkgever, op termijn terug zou kunnen kiezen voor een bedrijfswagen. Het bedrag ervan ligt evenmin vast. In geval van promotie of functieverandering, kan het budget verhoogd of verlaagd worden. 
  • de toekenning eindigt uiterlijk de eerste dag van de maand waarin de werknemer (1) niet langer een functie uitoefent die recht geeft op een bedrijfswagen of (2) kiest voor een mobiliteitsvergoeding in plaats van een mobiliteitsbudget.

 

Wat te onthouden?

 

Waar het “cash for cars” systeem enkel interessant was voor werknemers die niet echt nood hadden aan een bedrijfswagen, kan iedere werknemer via dit nieuw systeem kiezen voor een milieuvriendelijker alternatief voor zijn verplaatsingen.

 

De vele mogelijkheden die bestaan om het mobiliteitsbudget doorheen het jaar in te vullen zorgt voor een zekere administratie voor de werkgever. Het belang van een toegankelijke berekeningstool kan dan ook niet worden onderschat. De kosten hiermee verbonden kunnen eventueel aangerekend worden op het mobiliteitsbudget van alle betrokken werknemers. 

 

Bron: Wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, B.S. 29 maart 2019