Ontslag om dringende reden van een preventieadviseur: recht op een beschermingsvergoeding?

16 nov 2018Ontslag

In een onuitgegeven arrest heeft het Arbeidshof van Antwerpen zich uitgesproken over de toekenningsvoorwaarden van de beschermingsvergoeding voor preventieadviseurs indien het ontslag om dringende reden onregelmatig bevonden wordt. Deze vergoeding is enkel verschuldigd wanneer de preventieadviseur ontslagen werd om redenen die verband houden met zijn onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn functie of wanneer de werkgever niet kan bewijzen dat de preventieadviseur onbekwaam was voor zijn functie.

 

De feiten

 

Een werkneemster die als preventieadviseur werkt, wordt ontslagen om dringende reden. De werkgever verwijt haar dat zij haar verantwoordelijkheden niet opneemt, dat ze haar essentiële taken niet naar behoren uitvoert en dat zij moeilijk kan samenwerken met haar leidinggevenden en met de andere werknemersvertegenwoordigers binnen het CPBW.

 

De werkneemster betwist haar ontslag om dringende reden voor de arbeidsrechtbank en later het arbeidshof en eist de betaling van (1) een opzeggingsvergoeding en (2) de beschermingsvergoeding voor preventieadviseurs van 2 jaar loon, zoals voorzien in de wet van 20 december 2002.

 

De beslissing

 

Het arbeidshof oordeelt dat de werkgever niet het foutieve karakter bewijst van het enige ingeroepen feit dat binnen de driedagentermijn had plaatsgevonden. Het ontslag om dringende reden is bijgevolg onregelmatig en het Hof veroordeelt de werkgever tot de betaling van een opzeggingsvergoeding.

 

Het Hof onderzoekt vervolgens of de werkneemster ook recht heeft op de beschermingsvergoeding.

 

De wet van 20 december 2002 voorziet dat de bijzondere ontslagprocedure voor preventieadviseurs niet van toepassing is in geval van een ontslag om dringende reden. Volgens het Arbeidshof heeft de verwerping van de dringende reden niet automatisch tot gevolg de beschermingsvergoeding verschuldigd is. Het is dan aan de rechter om de ingeroepen motieven te beoordelen en om te bepalen of de beschermingsvergoeding verschuldigd is.

 

Op basis van de ontslagbrief, die talrijke tekortkomingen bevat betreffende het professioneel functioneren van de werkneemster, oordeelt het Hof dat de werkneemster wel degelijk was ontslagen wegens haar onbekwaamheid om haar functie als preventieadviseur uit te oefenen. Op basis van deze feiten kon de werkgever de werkneemster dus ontslaan en bijgevolg kan zij geen aanspraak maken op de beschermingsvergoeding.

 

Te onthouden

 

Wanneer het ontslag om dringende reden van de preventieadviseur niet erkend wordt door een rechter, is de werkgever niet automatisch een beschermingsvergoeding verschuldigd, hoewel de specifieke ontslagprocedure uiteraard niet gevolgd kon worden (voorafgaande kennisgeving aan de werknemer en advies van het CPBW). Het is aan de rechter om het motief van het ontslag te onderzoeken en om na te gaan of dit motief al dan niet verband houdt met de onafhankelijkheid van de preventieadviseur of zijn bekwaamheid om zijn functie uit te oefenen, zoals dit het geval was in deze zaak.

 

Om aan de betaling van de beschermingsvergoeding te ontsnappen, moet de werkgever wel het bewijs kunnen leveren van de onbekwaamheid van de preventieadviseur.

 

Bron :

 

Arbh. Antwerpen (2de kamer), 28 mei 2018, A.R. nr. 2017/AA/386, onuitgeg.