Covid-19 en de vaccinatie van werknemers : de stand van zaken

11 dec 2020Covid-19

Nu het jaar ten einde loopt, worden de eerste vaccinatiecampagnes tegen COVID-19 in stelling gebracht met januari 2021 als startpunt. Op basis van deze Q&A vatten we de rechten en plichten van werkgevers in dit verband samen.

1. Kan een werkgever werknemers verplichten om zich te laten inenten?

NEEN. De Codex over het welzijn op het werk voorziet maar een beperkt aantal situaties waarbij de werkgever een verplichte vaccinatie kan/moet eisen (artikels VII.64 en volgende). 

Bovendien zijn deze vaccins enkel verplicht in bepaalde sectoren en voor specifieke werknemers (bijvoorbeeld de medische sector of noodhulp).

Een verplichte vaccinatie is momenteel enkel voorzien voor 3 vaccins: hepatitis B, tuberculose en tetanus, het vaccin tegen COVID-19 is niet opgenomen in deze lijst.

2. Welke verplichtingen heeft een werkgever in verband met het vaccin tegen COVID-19?

Sinds 23 november 2020 is COVID-19 opgenomen in de gevarengroep 3 van de lijst van “biologische agentia”, in de Bijlage VII.1-1 van de Codex over het welzijn op het werk.

Een biologisch agens van groep 3 is een agens dat bij de mens een ernstige ziekte kan veroorzaken en een groot gevaar voor de werknemers kan opleveren; er is een kans dat het zich onder de bevolking verspreidt, doch gewoonlijk bestaat er een effectieve profylaxe of behandeling.

Werkgevers die werknemers tewerkstellen die ten gevolge van hun werk (kunnen) worden blootgesteld aan biologische agentia zijn verplicht om hieromtrent een specifieke risicoanalyse uit te voeren en onder meer ook een naamlijst bij te houden van de blootgestelde werknemers.

Ook moet de werkgever die werknemers inlichten omtrent de mogelijkheid om zich te laten vaccineren indien er een doeltreffend vaccin is.

Deze bepalingen inzake biologische agentia zijn dus niet van toepassing op de werknemers die ander werk doen en die op hun werk, evengoed als in hun privéleven besmet kunnen worden omdat het virus overal aanwezig is.

3. Gelden in bepaalde sectoren specifieke verplichtingen?

JA. Zoals hierboven toegelicht, gelden voor bepaalde type van activiteiten, waarbij werknemers beroepsmatig blootgesteld worden aan biologische agentia specifieke verplichtingen.

Bijvoorbeeld, in de sector van de gezondheidszorg moet, in het kader van de hierboven vermelde gedetailleerde risicoanalyse, bijzondere aandacht gaan naar de eventuele aanwezigheid van het virus bij patiënten of in stalen die bij hen afgenomen werden.

Als de werkgever deze bijkomende verplichting negeert, dan kan hij desgevallend aansprakelijk gesteld worden, omwille van het ontbreken van een volledige en exhaustieve arbeidsrisicoanalyse.

4. Mag de werknemer afwezig zijn van het werk om zich te laten vaccineren?

Recent werd een voorontwerp van wet voorgelegd aan de Nationale arbeidsraad met het oog op de invoering van een omstandigheidsverlof voor vaccinatie.

Dit omstandigheidsverlof zou inhouden dat een werknemer met behoud van loon van het werk afwezig mag zijn om zich te laten vaccineren.

Dit recht zou evenwel aan de volgende voorwaarden onderworpen worden:

  • De duur van de afwezigheid dient zich te beperken tot de tijd die nodig is om zich te laten vaccineren
  • De werknemer moet voorafgaandelijk de werkgever verwittigen;
  • Het verlof moet ook effectief gebruikt worden om zich te laten vaccineren;
  • De werknemer zal op vraag van de werkgever een bewijs moeten bezorgen omtrent de reden van de afwezigheid (bv. de oproepingsbrief voor de vaccinatie).

Deze regels zouden van toepassing blijven tot 31 december 2021, met een eventuele verlenging tot 1 juli 2022.

5. Mag de werkgever de toegang tot bedrijfsruimten verbieden aan werknemers die een inenting weigeren?

NEEN. Omdat er geen vaccinatieverplichting geldt, krijgen werknemers zonder enige beperking toegang tot de bedrijfsruimten, weliswaar onder voorbehoud van het respecteren van de voorziene regels in de onderneming op het vlak van preventie en/of bescherming tegen de verspreiding van COVID-19.

6. Mag de werkgever werknemers of kandidaat-werknemers vragen of ze ingeënt zijn? 

NEEN. De vaccinatie tegen COVID-19 en alle daarmee verband houdende informatie behoort tot het privéleven van de werknemer.

Bovendien sanctioneert het Sociaal Strafwetboek het mondeling verzamelen van informatie door de werkgever met als doel om medische gegevens over de gezondheidstoestand van de werknemer te verkrijgen om andere redenen dan voor zijn huidige vaardigheden.

Tenslotte benadrukken we dat medische gegevens van werknemers “gevoelige” gegevens zijn. In principe heeft de werkgever, in toepassing van de GDPR, niet de toelating om deze te verwerken – tenzij de werknemer hiermee uitdrukkelijk akkoord gaat of wanneer dit nodig is voor de toepassing van het arbeidsrecht.

Volgens ons zijn gegevens in verband met de inenting van de werknemer niet noodzakelijk voor de toepassing van het arbeidsrecht.

7. Mag de werkgever een lijst van ingeënte werknemers opstellen?

NEEN. Zoals hierboven vermeld, is de verwerking van medische gegevens van werknemers door de werkgever niet toegelaten – tenzij de werknemer hiermee uitdrukkelijk akkoord gaat of wanneer dit nodig is voor de toepassing van het arbeidsrecht.

Volgens ons is het opstellen van een dergelijke lijst niet noodzakelijk voor de toepassing van het arbeidsrecht.

8. Mag de werkgever werknemers verschillend behandelen op basis hun eventuele inenting ? 

NEEN. Omdat het vaccin niet verplicht is, mag een werknemer die weigert om zich te laten inenten, niet op een ongunstige manier behandeld worden door de werkgever (voor zover hij over deze informatie beschikt).

De werkgever kan bijvoorbeeld niet:

  • de werknemer straffen als gevolg van zijn weigering om ingeënt te worden;
  • hem straffen als hij andere collega’s en/of derden besmet (behalve als deze besmetting het gevolg is van het niet-respecteren van de regels inzake preventie en/of bescherming in de onderneming);
  • hem de toegang weigeren tot een bepaalde functie;
  • specifieke premies voorzien ingeval van vaccinatie;
  • enz.

Deze houding zou als een vorm van verboden discriminatie op basis van filosofische overtuigingen beschouwd kunnen worden en als een schending van het recht op privacy.