Het Grondwettelijk Hof vernietigt de wet betreffende het verenigingswerk, de occasionele diensten en de deeleconomie

08 mei 2020Reglementering

Op 23 april 2020 vernietigde het Grondwettelijk Hof het wettelijk kader voor deze drie types van aanvullende activiteiten met een gunstig fiscaal en parafiscaal regime. De gevolgen van de wet worden evenwel voorlopig gehandhaafd tot 31 december 2020.


De vernietigde wet


Met de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie wou de wetgever mensen die gewoonlijk en hoofdzakelijk een beroepsactiviteit als werknemer of zelfstandige uitoefende, alsook gepensioneerden, de mogelijkheid geven om beperkt bij te verdienen door bepaalde activiteiten uit te oefenen.

Deze prestaties vielen grotendeels buiten het toepassingsgebied van de arbeids- en sociale zekerheidswetgeving. 

De regeling voorzag drie pijlers: verenigingswerk, occasionele diensten tussen burgers en diensten die via een erkend elektronisch platform worden verleend.

Wat het verenigingswerk betreft, werden verschillende activiteiten in de non-profitsector geviseerd (animator, begeleider bij schooluitstappen, ondersteuning bieden aan personen, enz.) die onder bepaalde voorwaarden volledig onbelast bleven (geplafonneerd op een bedrag van 6.250 EUR per kalenderjaar of 520,83 EUR per maand, na indexering).

De wet voorzag ook een kader voor twee andere categorieën van activiteiten:

  • Enerzijds de zogenaamde "occasionele" diensten tussen burgers (kinderopvang, kleine onderhoudswerkzaamheden, privélessen, enz.);
  • Anderzijds diensten die worden verleend in het kader van de "deeleconomie", via een erkend elektronisch platform (autodelen, babysitting, het leveren van maaltijden aan huis, enz.). Voor deze derde pijler voorzag de wet evenwel niet in de verplichting om een hoofdzakelijke beroepsactiviteit uit te oefenen, noch in een maandelijks plafond.

Deze wet was de aanleiding voor heel wat protest, vanuit de oppositie, de sociale partners en bepaalde actoren uit het verenigingsleven. Er werd dan ook een vernietigingsprocedure voor het Grondwettelijk Hof ingesteld.


Het arrest van het Grondwettelijk Hof


Wat de verenigingswerkers betreft, stelt het Hof vast dat de bestreden wet een ongerechtvaardigd verschil in behandeling invoert ten opzichte van werknemers die dezelfde werkzaamheden verrichten op grond van een arbeidsovereenkomst, waarbij de eerstgenoemden grotendeels zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de arbeidswetgeving. Deze uitsluiting leidt tot een uiterst precaire situatie: geen minimumloon, geen regels inzake arbeidsduur, enz. 

Bovendien maakt de wet het mogelijk om dezelfde activiteiten tegelijkertijd binnen dezelfde organisatie uit te voeren onder het statuut van vrijwilliger, waardoor het onmogelijk werd om de omvang van de arbeidsprestaties te controleren en het risico op misbruik werd vergroot.

De gevolgen van het nieuwe statuut lijken dan ook niet redelijk verantwoord ten aanzien van het nagestreefde doel, met name "het verlichten van de administratieve last van organisaties". 

Het Hof wijst daarnaast nog op een ander verschil in behandeling. Vergoedingen die worden toegekend in het kader van de bestreden wet worden fiscaal en parafiscaal vrijgesteld, terwijl vergoedingen voor dezelfde activiteiten die uitgevoerd worden door werknemers of zelfstandigen wel aan de normale fiscale en parafiscale behandeling worden onderworpen. De motivering dat deze vergoedingen voor verenigingswerkers of occasionele dienstverleners slechts een zuiver "bijkomstig" karakter zouden hebben, berust echter op een ongefundeerde veronderstelling, aldus het Hof. 

Wat tenslotte de deeleconomie betreft, is het Hof van oordeel dat de situatie van werknemers en zelfstandigen enerzijds en dienstverleners via erkende elektronische platformen anderzijds, vergelijkbaar is. De doelstellingen die door dit nieuw statuut worden nagestreefd (zwartwerk tegengaan, stimulering van het ondernemerschap, enz.) rechtvaardigen dit verschil in behandeling evenwel niet.

Bijgevolg vernietigt het Grondwettelijk Hof de volledige bestreden wet. 

De gevolgen voor de prestaties die tot en met 31 december 2020 worden geleverd, worden evenwel gehandhaafd, zodat de nadelige gevolgen voor de betrokken personen beperkt blijven.


Te onthouden? 


De drie bijzondere arbeidsregimes die met de wet van 18 juli 2018 werden ingevoerd (verenigingswerk, occasionele diensten tussen burgers en de deeleconomie), verdwijnen vanaf 1 januari 2021.

De kritiek van het Grondwettelijk Hof betreft de essentiële punten van deze regimes waardoor de wetgever één en ander zeer grondig moet hervormen. De kans bestaat eveneens dat de wetgever beslist om het hierbij te laten.


Bron: GwH, 23 april 2020, nr. 53/2020, const-court.be.